‘Dat is een taak voor de familie’

Tijdens de opening van de tentoonstelling There is Something About my Family sprak wetenschapsjournalist Malou van Hintum over hoe we familie tegenwoordig defineren in onze huidige participatiemaatschappij. Over haar eigen ervaring als mantelzorgster schreef zij al eerder in het NRC Handelsblad.
Foto: Pieter Hugo, werk uit zijn serie ‘KIN’ is te zien in de tentoonstelling.
 

3 april 2016, Malou van Hintum
 

“Hoe belangrijk zijn familie en familiebanden? Je familie kies je niet, hoor je vaak, je vrienden wel. Dat is waar. Je maakt als kind automatisch deel uit van een familie, ook als die familie uit elkaar is gevallen door scheidingen en verhuizingen, gebrouilleerd om een reden die ze soms zelf niet eens meer weten, slachtoffer geworden van moord en misdaad, al dan niet politiek georganiseerd. Zelfs familie die je niet hebt, of die je niet meer wilt hebben, is familie.

 
Slikken, zwijgen en schenken
Stel nou dat je best een goede relatie hebt met die hele kleine familie, je gezinsleden, wat mag je dan van elkaar verwachten? Hoe lang blijf je voor elkaar zorgen, voor elkaar klaarstaan?
 
In De Groene Amsterdammer las ik kort geleden een drieluik over de manier waarop veel oudere babyboomers hun volwassen kinderen ondersteunen. De titel van een van de verhalen zegt al genoeg: ‘Slikken, zwijgen en schenken’. De auteurs, Anneke Groen en Herman Vuijsje (allebei 70 jaar), schetsen een beeld van senioren die hun kinderen praktisch en financieel steunen en kinderen die dat vanzelfsprekend vinden, ook zijn ze zelf al tegen de veertig. Ouders betalen mee aan de koop van een huis of dokken voor de huur, passen op de kleinkinderen, financieren de bakfiets en de zorgverzekering, en durven daar niets voor terug te verwachten.
Groen en Vuijsje schrijven dat dit een relatief nieuwe situatie is. Vroeger, en in grote delen van de wereld nog steeds, gold het adagium ‘jij hebt mij als kind goed verzorgd, ik help jou nu je oud bent’. Maar iets van je kinderen terugverwachten gaat niet meer op, zeggen ze. Dat komt door ontwikkelingen als individualisering, beter onderwijs en grotere mobiliteit. Maar dat komt ook doordat de babyboom-ouders altijd al graag ‘vriendjes’ met hun kinderen wilden zijn. En dat willen ze nog steeds. Ze gaan het conflict met hun kinderen uit de weg, bang voor ruzie en verwijdering, maar ook omdat ze willen dat hun kinderen gelukkig worden. Die opdracht stelden de ouders van deze ouders zich niet.

 
‘Dat is een taak voor de familie’
Ik ben benieuwd hoe lang deze oudere babyboomers de energie en de gezondheid zullen hebben om hun kinderen praktisch en financieel te helpen. Een aantal van hen zal een keer ziek en hulpbehoevend worden. Sommigen zullen heel veel goede zorg kunnen inkopen, maar het gros is straks aangewezen op wat zo mooi de participatiemaatschappij heet: de hulp en ondersteuning van hun kinderen. Dan draaien de rollen om – of niet. Want ja, zoals Groen en Vuijsje schrijven, hulp moet wel ‘spontaan’ komen.
Ik ben benieuwd.
In NRC Handelsblad schreef ik onder de titel ‘Dat is een taak voor de familie’ hoe, door bezuinigingen in de zorg, steeds meer taken op het bordje van die ‘familie’ worden geschoven. Het was een persoonlijk verhaal dat veel reacties opriep. Uit die reacties blijkt dat een begrip als ‘spontaniteit’, iets wat oudere babyboomers volgens Groen en Vuijsje zo belangrijk vinden, geen rol speelt bij het geven van mantelzorg. Je hebt gewoon geen keus, tenzij je je ouders aan hun lot wilt overlaten. Maar is ‘de familie’ wel in staat om die hulp te geven? En waar hebben we het eigenlijk over als het om ‘de familie’ gaat?

 
‘De familie’ bestaat niet
Onze maatschappij is zodanig veranderd dat het bijna onmogelijk is terug te keren naar ‘jij hebt mij als kind goed verzorgd, ik help jou nu je oud bent’, zelfs wanneer je dat graag zou willen. Dat geldt met name voor families die exemplarisch zijn voor deze tijd: de om allerlei redenen gefragmenteerde, verbrokkelde en door een zelfgekozen ‘een kind-politiek’ kleine families.
Denk aan families met gescheiden en weer opnieuw samengestelde gezinnen, iets wat leidt tot verschillende loyaliteiten en gebrek aan vanzelfsprekendheden. Gaat mijn stiefzoon mij helpen als ik oud en gammel ben? Ik denk het niet. Hij heeft straks al twee ouders om voor te zorgen, en dat lijkt me voor hem in zijn eentje meer dan genoeg.
Denk aan kinderen die vanwege hun werk ver weg moesten gaan wonen, of vanwege de liefde zijn geëmigreerd – ik ken er verschillende in mijn vriendenkring. Overvliegen uit de VS of Denemarken omdat de overheid hier de ‘participatiemaatschappij’ heeft uitgeroepen? Ik denk het niet.
Afstand is sowieso een kwestie. Driekwart van de volwassen kinderen en hun ouders wonen minder dan twintig kilometer bij elkaar vandaan. Voor een kwart geldt dat dus niet en dat kan, zelfs in het kleine Nederland, oplopen tot meer dan twee uur autorijden enkele reis.
Wie vasthoudt aan ‘dat is een taak voor de familie’ leunt op een concept dat niet meer bestaat. De familie is geen hechte groep mensen op loopafstand, maar zijn een of twee kinderen die in veel gevallen te ver weg wonen om even langs te gaan. Sterker nog, de familie is in de praktijk vaak een vijftig-plus-vrouw die probeert alle ballen in de lucht te houden.
 

Op het ‘verkeerde’ moment poepen
Moet ‘de zorg’ dan alles maar overnemen? Nee. Maar het zou wel helpen als al die zorgverleners die aan het werk zijn, bedenken dat veel mantelzorgers ook gewoon mensen zijn met werk en verplichtingen.

Het zou ook helpen als thuis- en ziekenhuiszorg de zorg beter met elkaar afstemmen, goed met elkaar communiceren, en rekening houden met de situatie van mantelzorgers en de ouderen zelf. Wat zou het een hoop tijd en ongemak schelen als de medisch specialist naar de patiënt toe zou komen, zodat wij geen hele ochtend of middag kwijt zijn met wachten op de rolstoeltaxi en wachten in de wachtkamer om de dokter tien minuten te kunnen spreken. Waarom niet?
Aan de andere kant van het spectrum, dat van de kleine klusjes, zou de directe omgeving van de hulpbehoevende meer in beeld kunnen komen. Dát kan in een versnipperde maatschappij als de onze nog wél. We moeten allemaal ons papier, glas en vuilnis wegbrengen, en we moeten ook allemaal weleens naar de winkel. Het is een kleine moeite om dat tegelijk ook voor de buurman of buurvrouw te doen.
De professionele zorg is er dan voor alle intieme lichamelijke zorg die mensen graag in alle privacy willen ontvangen. Zorg die komt op elk uur van de dag of nacht als dat nodig is. Ik las in een van de reacties die ik heb ontvangen over een oud familielid dat ’s nachts de zorg niet mag bellen, waardoor diens bed vervuild raakte. In Nederland, een van de rijkste landen ter wereld, moet je als hulpbehoevende oudere urenlang in je ontlasting liggen als je op het ‘verkeerde’ moment poept. Ik vind dat mensonterend.

 
Wat, tenslotte, voor mantelzorgers-ver-weg zoals ik het lastigste is, zijn de ‘voldongen feiten’: u moet NU dat recept ophalen, u moet NU met uw vader/moeder naar het ziekenhuis. Ik heb het geluk dat een lotgenoot-mantelzorger die bij mijn vader om de hoek woont, zich na het lezen van mijn verhaal in NRC heeft gemeld. Ik wil zelf op mijn beurt ook graag voor iemand anders zo’n redder in de nood zijn. Het zou fijn zijn als er een netwerk van mantelzorgers-ver-weg ontstaat, die in urgente situaties een mantelzorger-dichtbij willen zijn.
 

It takes a village
Over de opvoeding van kinderen wordt gezegd: ‘It takes a village to raise a child’. Maar die ’village’ is ook weer nodig aan het einde van het leven. Alle individualisering ten spijt, als mensen verdrietig en hulpbehoevend zijn, hebben ze de warmte en aandacht van andere mensen nodig. Als we daar pas achter willen komen wanneer we zelf anderen keihard nodig hebben, is dat niet alleen kortzichtig en egocentrisch, maar ook veel te laat.”

  
www.malouvanhintum.nl